|
De update naar de Series II was met name een motorische
aangelegenheid. Sir Issigonis had
altijd al een krachtigere motor willen hebben voor de Morris Minor en
met het beschikbaar komen van de nieuwe, van kopkleppen voorziene motor,
werd dit voor de Series II gerealiseerd. Andere
belangrijke ontwikkelingen in de industrie speelden echter ook een rol.
Leonard Lord
In 1951 gingen de twee belangrijkste Britse autofabrikanten,
Austin en Nuffield (eigenaar van Morris,
MG,
Wolseley
en Riley) samen in de BMC (British Motor Corporation). Helaas voor de
Morris medewerkers was de leiding van BMC in handen van Leonard Lord,
een oud topman van Morris die ruzie had gehad met Lord Nuffield en naar
Austin was vertrokken. Leonard Lord was een dynamische hardwerkende leider
die bij zijn vertrek gezworen had Nuffield's
bedrijf steen voor steen af te breken.
Een van de resultaten was de beslissing de productie van
motoren en versnellingsbakken te rationaliseren. Voor de motor van
de Minor werd daarom gekozen voor een standaard BMC unit zoals die ook
in de Austin A30 te vinden was.

Series II Saloon
Specificaties
- Motor: Boring x Slag: 58mm x 76mm.
- 4 Cylinder 803 cc - kopkleppen.
- Compressie verhouding 7,2 op 1.
- Max. vermogen 30 pk bij 4800 rpm.
- Top snelheid ca. 100 km/u.
- 0- 80 km/uur in 28,6 seconden.
Belangrijke nieuwe modellen zijjn
gedurende de productie van de Series II geïntroduceerd. In 1953 zijn
zowel de Van, de Pick-Up en de Traveller aan de reeks toegevoegd.
In totaal zijn er circa 318.300 Morris Minor Series
II gebouwd tussen juli 1952 en september 1956.
|